Nieuw bij bol.com

zondag 11 september 2011

De Steen


Liedtekst van: Bram Vermeulen

ik heb een steen verlegd in een rivier op aarde
het water gaat er anders dan voorheen
de stroom van een rivier hou je niet tegen
het water vindt er altijd een weg omheen
misschien eens gevuld door sneeuw en regen
neemt de rivier mijn kiezel met zich mee
om hem dan glad en rond gesleten
te laten rusten in de luwte van de zee

ik heb een steen verlegd in een rivier op aarde
nu weet ik dat ik nooit zal zijn vergeten
ik leverde bewijs van mijn bestaan
omdat door het verleggen van die ene steen
de stroom nooit meer dezelfde weg zal gaan

ik heb een steen verlegd in een rivier op aarde
nu weet ik dat ik nooit zal zijn vergeten
ik leverde bewijs van mijn bestaan
omdat door het verleggen van die ene steen
de stroom nooit meer dezelfde weg zal gaan

Kwade gedachten

Een sprookje van Annie M.G. Schmidt

"Je moet eens aan trouwen denken," zei de oude koning tot zijn zoon.
"Met wie moet ik dan trouwen?" vroeg de prins lusteloos.
"Met een mooie prinses," zei de koning. "En niet alleen mooi, maar ook goed. Ze mag geen enkele kwade gedachte hebben, nooit ofte nimmer."
"Zo iemand vinden we immers niet," zuchtte de prins.

Maar de koning riep zijn kamerheer. Deze had de eigenaardigheid dat hij slechte gedachten kon zien. Hij zag de slechte gedachten als zwarte gevleugelde insecten om de hoofden van de mensen vliegen.
"Luister," zei de koning tot zijn kamerheer. "Vanmiddag komen er elf prinsessen op zicht. Wij zullen wel kijken wie de mooiste is, maar jij, m'n waarde kamerheer, jij moet kijken of ze slechte gedachten hebben."

Zo gebeurde het. 's Middags zaten er elf prinsessen op het gazon. Ze zaten op plastic schommelstoelen en zwegen bedrukt, want ze waren erg zenuwachtig.

"Nu!" zei de koning.

De kamerheer begon bij de eerste prinses, een blonde. "Bah!" riep hij en hij deinsde achteruit. "Walgelijk! Horzels om haar heen!"

Bij de tweede riep hij: "Zwarte torren... wel duizend!" Bij de derde rende hij zelfs verschrikt weg en brulde: "Woedende wespen... help!" En zo ging het door, het hele rijtje langs.

Hij zag om al die mooie hoofdjes afschuwelijke insecten vliegen, dat waren de kwade gedachten van de prinsessen. De koning en de prins stonden erbij. Ze konden de insecten niet zien, maar ze waren vol bewondering voor de knappe kamerheer.

Eindelijk, bij de elfde prinses, stond de kamerheer lang stil. Hij liep om haar heen, keek, luisterde en snuffelde aan haar krullen. "Niet te geloven," mompelde hij. "Geen enkele kwade gedachte. Geen ziertje kwaad bij dit meisje. Ik sta voor haar in."

"Wel," zei de koning opgewekt. "Dan zijn we klaar."

De overige tien prinsessen werden haastig naar huis gestuurd in karossen. Ze kregen allemaal voor 't weggaan nog gauw een stuk cake om hen te troosten, maar ze waren toch diep beledigd, dat kon je zien.

En de elfde prinses werd de verloofde van de prins. Ze was ongelofelijk mooi, dat moet gezegd worden. Ze had diepblauwe ogen en kastanjebruine haartjes en ze was zo blank als een porseleinen poppetje.

"Ziezo," zei de koning en hij wreef zich in de handen. "Dat is weer voor mekaar. Ben je gelukkig, m'n zoon?"
"Nee," zei de prins.
"Maar jongen," riep de koning verschrikt. "Zo'n mooie verloofde van koninklijken bloede en dan nog helemaal zonder kwade gedachten. Denk eens aan!"
"Tja," zei de prins, "het is best mogelijk dat ze geen kwade gedachte heeft. Maar als u het mij vraagt, heeft ze helemaal geen gedachten. Geen kwade maar ook geen goede."
"Kom, wat hindert dat?" riep de koning luchtigjes. "Ze wordt later koningin en een koningin hoeft geen gedachten te hebben. Als ze maar kan wuiven achter het raampje van haar rijtuig. Als ze maar kan glimlachen en mooie woordjes uit het hoofd kan leren. Dan hoeft ze helemaal niet te denken!"

De prins zweeg. Die dag ging hij varen met zijn mooie verloofde in een bootje. Ze roeiden langzaam de rivier op. Langs de groene oevers bloeiden overal paarse en gele lisbloemen in de zon.

"Denk je dat er een hemel bestaat?" vroeg de prins.

De prinses keek hem verwonderd aan. Ze zweeg en hij begreep dat ze daar geen gedachte over had. Hij roeide zwijgend verder en ze kwamen langs een oud, armelijk, vervallen hutje dat aan de rechteroever stond.

"Waarom is de ene mens rijk en de andere arm?" vroeg de prins.

Weer keek de prinses hem verbaasd aan. Haar gezicht was mooier dan ooit, maar de prins werd korzelig, omdat hij zag dat ze nooit over die vraag had nagedacht en er ook niet over kón nadenken. Ze had immers nooit gedachten.

"Ik maak het bootje hier even vast," zei de prins. "Wacht hier op mij. Ik wil dat hutje vanbinnen bekijken."

De prinses bleef geduldig zitten en liet het stromende water door haar vingers glijden, terwijl het bootje schommelde aan de kant. Intussen duwde de prins de deur van de hut open.

Daar, op een oude wrakke stoel zat een armzalig gekleed meisje met donkere ogen. Ze was bezig aardappelen te schillen en ze keek verwonderd naar de mooie prins.

"Dag," zei de prins en hij bleef staan kijken, terwijl zij verder schilde.
"Dag," zei het meisje.
"Waarom..." zo vroeg de prins. "Waarom is een bloem mooier dan een mand schillen?"

Het meisje liet haar aardappelmes even rusten en dacht na. Toen zei ze: "Maar is een bloem mooier dan een mand schillen? Weet je dat wel zeker?"

En de prins keek en vond de mand schillen op haar schoot mooier dan alle bloemen van de aarde.

Dat was vreemd, maar hij vond het nu eenmaal en hij wist niet waarom. Hij wist alleen dat dit meisje gedachten had.

Hij nam haar zachtjes bij de arm en liep met haar door de groene velden naar huis. De prinses in het bootje was hij totaal vergeten en toen hij met het arme meisje in het paleis kwam, zei hij tot zijn vader die zat te knikkebollen op de troon: "Vader, dit is mijn bruid. Ze denkt!"

"Maar jongen," riep de koning verschrikt. "Je had toch al een bruid? En dit... dit is een vies meisje. Met een aardappelmesje in haar hand! Wat zullen de mensen wel zeggen? En wat een smerige jurk!"
"Dat is te verhelpen," zei de prins. "Jurken genoeg op de wereld."

Intussen was de kamerheer naderbij gekomen. Hij gaf een kreet van schrik toen hij het meisje zag en riep: "Een hommel! Een dikke bruine hommel vliegt om haar hoofd! Ze heeft een kwade gedachte!"
"Eentje maar?" lachte de prins. "Waar dacht je aan, liefje?" Het meisje bloosde en zei: "Ik dacht, wat een dwaze koning die er iets om geeft wat de mensen zullen zeggen!"
"Ziet u wel?" riep de kamerheer driftig. "Een boze gedachte."
"Beter dan helemaal geen gedachte," zei de prins en hij kuste zijn meisje, hoe vies ze ook was.

Toen moest ze in bad en onmiddellijk daarna werd de bruiloft gevierd.

De stoet reed langs de rivier en de bruidegom zag tot zijn schrik dat de mooie prinses nog steeds in het bootje zat te wachten. "Ik was haar vergeten..." riep hij. "Vraag haar of ze in het achterste rijtuig wil plaatsnemen."

Zo gebeurde het en de prinses vond het best en dacht er verder niet over na, want ze dacht immers nooit.

De bruiloftsstoet reed naar de kerk en iedereen was gelukkig behalve de kamerheer. Hij sloeg met zijn stok in het rond en bromde: "Overal insecten in de kerk! Torren en kevers, wespen en blauwe vliegen en giftige bijen... foei... foei!"

Maar niemand trok zich daar een sikkepit van aan.

Van bomen en de dingen die voorbij gaan

Een parabel over een boom die ontevreden met zichzelf is

Vriend Boom en ik hadden weer een gesprek. "Heb je dat ook niet af en toe," vroeg ik hem, "dat je bepaalde dingen aan jezelf zou willen veranderen?" Boom schudde zijn takken heen en weer, een teken dat hij nadacht. Een paar bladeren vielen op de grond. "Je bedoelt dat ik zou willen dat m'n takken wat dunner of dikker zouden zijn of dat mijn bladeren een andere vorm zouden moeten hebben?" vroeg hij uiteindelijk. "Inderdaad, zoiets." Hij schudde bedachtzaam het hoofd.


"Ik kan me niet heugen dat ik daar ooit bij heb stilgestaan," zei hij. "Maar er bestaat een verhaal van een boom die dat soort gedachten wel had. Hij leefde in een bos hier niet zo ver vandaan en toen hij van twijg was uitgegroeid tot een flinke boom, kreeg hij op een dag een slanke berk in de gaten die aan de overkant stond. Vanaf dat moment leek het wel alsof hij bezeten was van de mooie vormen van de berk, hij zaagde maar door over de slanke vormen en de elegante bewegingen. We werden er allemaal nogal moe van, kan ik je vertellen."

Boom zweeg. "Ja, en toen?" vroeg ik ongeduldig, "wat gebeurde er verder?"

"We probeerden hem allemaal ervan te overtuigen dat hij goed was zoals hij was, dat het nou eenmaal niet de bedoeling is dat we er allemaal precies hetzelfde uitzien."

"Dat had zeker geen effect?" vroeg ik. Boom keek mij even aan en ik kon hem bijna horen denken. "Dat klopt," vervolgde hij zijn verhaal. "Het werd nog erger toen hij op een gegeven moment zichzelf kon zien in het beekje dat zich vlak naast hem bevond. De hele dag maakte hij zich druk over zijn buitenkant waardoor hij als het ware vergat te leven. Het gevolg was dat hij er steeds slechter uit ging zien, zijn bladeren verloren langzaam hun glans en kleur."

"Wat is er van hem geworden?" vroeg ik nieuwsgierig.

"Het werd herfst en zijn bladeren vielen van hem af. De bladeren bedekten het beekje en hij kon zichzelf niet langer zien. Hij werd tegen wil en dank geconfronteerd met de naakte waarheid: zichzelf. Zijn aandacht verplaatste zich van de buitenkant naar de binnenkant, want het zou niet lang meer duren voordat de winter zijn intrede zou doen en hij moest zien te overleven. Dat zat nou eenmaal in zijn natuur."

Ik kon als het ware de wijze glimlach zien die door de woorden van Boom heen klonk. "Toen het weer lente werd, was hij de berk allang weer vergeten. Hij was trots op de hernieuwde kracht van zijn grove takken en op zijn glanzend groene bladeren. Vanaf dat moment stond hij alleen maar zichzelf te wezen in dat bos."

"Mooi verhaal," zei ik peinzend.

"Ik heb het toch al vaker gezegd," grinnikte Boom. "Groen is geen kleur, het is een zienswijze." En hij strooide vrolijk nog wat bladeren in het rond.


Claudia Mulder
(bron: http://www.poetryalive.nl)

Drie oude ottertjes

Drie oude ottertjes wilden gaan varen
Over de zimzam, over de zaan
Eigenlijk wilden ze dat al sinds jaren
Maar om het feit dat ze ottertjes waren
Hadden ze 't nooit gedaan
Want...
Daar hing een bordje op alle bottertjes:
Verboden voor ottertjes

Drie oude ottertjes stonden te schreien
Daar bij de zimzam, daar bij de zaan
Stonden te schreien en ze zeiden
Dan gaan we maar met het spoortreintje rijden
Dat zal wel beter gaan
Maar...
Daar hing een bordje in iedere coupee:
Ottertjes mogen niet mee

Drie oude ottertjes stonden te turen
Over de zimzam, over de zaan
Daar op een weilandje tussen twee schuren
Daar was een plek waar je fietsen kon huren
Fietsen met mandjes eraan
En...
Daar hing een bordje op iedere fiets:
Ottertjes mogen voor niets

Nu rijden die ottertjes over de brug
Over de brug en weer terug

Het najagen van geluk

Het najagen van geluk
Een boeddhistisch verhaal over gelukkig zijn of gelukkig worden

Er doet zich een verhaal de ronde van een plaats ergens aan het einde van de wereld dat eindelijk 'ontdekt' is door de nieuwsgierige Amerikanen. Amerikanen zijn - zoals jullie weten - altijd driftig op zoek naar onderzoeksonderwerpen; van de verspreiding van AIDS in Afrika tot de voortplantingsgewoontes van de Siberische kraanvogels. Alleen al het vermoeden van een 'kinky' onderwerp en ze zullen vol ijver hun zuurverdiende geld aan onderzoek geven.

Toen een Amerikaan hoorde van de legendarische 'luiheid' van een stam in een verre uithoek van India, nam hij onmiddellijk het vliegtuig en kwam daar aan. Zijn doel was om minutieus hun karaktertrekken te bestuderen en hij was in gedachten al bezig hun lethargie te verhelpen, zodat ook zij niet "achter zouden blijven" in hun ontwikkeling.

Na een aantal taxiritten en bustochten over onverharde wegen kwam de Amerikaan rond het middaguur bij een klein dorp aan. De meeste mannen waren op de velden en de vrouwen waren te verlegen om uit hun huizen te komen om met de witte vreemdeling te praten. Samen met zijn tolk vond de Amerikaan een jongeman, die onder een boom aan de kant van een grote vijver lag te slapen en te genieten van de koele wind.

"Wat doe je?" vroeg de Amerikaan, die opgewonden was om een echt voorbeeld van die legendarische luiheid al zo snel te ontdekken, alhoewel hij van binnen zich ergerde dat een jongeman zijn kostbare tijd aan het verdoen was.

"Kan je dat zelf niet zien? Ik doezel," antwoordde de jongeman, geërgerd dat zijn siësta zo onceremonieel werd verstoord.

"Jawel, maar wat doe je voor de kost?" vroeg de Amerikaan via de tolk.

"Ik vang vissen," zei de man, wijzend naar de vijver.

"Hoeveel vissen heb je vandaag gevangen?"

"Twee hele grote," antwoordde hij trots glimlachend.

"Wat heb je ermee gedaan?"

"Ik heb ze verkocht op de markt."

"Waarom ben je nu dan niet aan het vissen. Je kan er nog makkelijk twee meer vangen."

De jonge visser keek verbijsterd. "Waarom?" vroeg hij.

"Die kan je ook verkopen en zo meer geld verdienen."

"Waarom?" vroeg de luie jongeman opnieuw.

"Nou, om wat visgerei te kopen."

"Waarom?"

"Om meer vissen te vangen, natuurlijk."

"Waarom?"

"Waarom? Nou, om meer geld te verdienen, dwaas!"

"Waarom?"

"Zodat je je een fiets kan veroorloven, een telefoon, een TV - zelfs een echt huis."

"Waarom?"

"Wel verdorie! Om gelukkig te worden natuurlijk!" riep de geïrriteerde Amerikaan uit.

"Ik ben al gelukkig zoals ik nu ben," antwoordde het voorbeeld van luiheid rustig, nam zijn fluit en blies een deuntje. "Waarom zou ik al die moeite nemen voor iets dat ik al in overvloed heb?"

De Amerikaan keerde gelouterd en met nieuwe inzichten terug naar huis. Maar het is twijfelachtig of er in zijn eigen land wel mensen zijn die geïnteresseerd zijn in de resultaten van zijn onderzoek - het land dat zweert bij het onvervreemdbare recht van zijn burgers om 'het geluk na te jagen'.

Spijkers in een schutting...

Of, hoe een vader zijn zoon leerde zichzelf beter te beheersen, maar vooral, hoe hij hem duidelijk maakte wat het gevolg van het verliezen van je zelfbeheersing kan zijn...

Er was eens een jongen met zeer weinig zelfbeheersing. Zijn vader gaf hem een zak spijkers en zei tegen hem dat hij elke keer als hij zijn zelfbeheersing verloor een spijker in de schutting achter de tuin moest slaan.

De eerste dag sloeg de jongen 37 spijkers in de schutting. In de volgende weken, toen hij leerde om zijn kwaadheid onder controle te krijgen, werd het aantal spijkers dat hij in de schutting sloeg geleidelijk aan kleiner. Hij zag dat het gemakkelijker was om zijn zelfbeheersing te bewaren dan al die spijkers in de schutting te slaan....

Uiteindelijk kwam de dag dat de jongen zijn zelfbeheersing niet meer verloor. Hij vertelde het aan zijn vader en die stelde voor dat de jongen nu voor elke dag dat hij zichzelf kon beheersen, een spijker uit de schutting haalde.

De dagen gingen voorbij en de jongen was eindelijk zo ver dat hij zijn vader kon vertellen dat alle spijkers uit de schutting waren verdwenen. De vader nam de jongen bij de hand en ging met hem naar de schutting.

Hij zei: "Je hebt het goed gedaan, mijn zoon, maar kijk nu eens naar al die gaten in de schutting. De schutting zal nooit meer dezelfde zijn. Als je dingen in woede zegt, laten ze in de geest een litteken achter, net als de spijkers in de schutting gaten achter hebben gelaten.

Je kunt iemand een mes in de borst steken en het mes er dan weer uit trekken en je spijt betuigen, maar de wond is daarmee niet verdwenen. Het verbale mes - je verloren zelfbeheersing - heeft hetzelfde effect op iemand als het echte mes. Denk daaraan wanneer je op het punt staat om je zelfbeheersing te verliezen."

Eendje Kwak kookt zijn eigen potje

Een sprookje van Gerard Reve over een vies eendje

Lieve jongens en meisjes, luisteren jullie eens naar een verhaal over een eendje dat Eendje Kwak heette. Eendje Kwak was eigenlijk een heel vies eendje. Hij wilde helemaal niet graag dat alles in zijn kleine huisje schoon was. Nee, hij wilde juist graag dat alles in zijn huisje zo vuil en zo smerig was als het maar kon. Eendje Kwak was wel een vreemd eendje, vinden jullie ook niet? Zo werd in Eendje Kwak zijn huisje van lieverlede alles steeds maar viezer en vuiler. De familie, de kennissen en alle vrienden van Eendje Kwak begonnen er schande van te spreken.

Goede raad was duur. Maar op een dag, het was nog vroeg in de morgen, kwamen ze met z'n allen bij Eendje Kwak aan de deur en zeiden ze: "Eendje Kwak, je huisje is zo verschrikkelijk vuil dat het nodig eens moet worden schoongemaakt. Dat zullen wij wel eens even doen." En ze staken de handen uit de mouwen en begonnen met z'n allen te vegen, te kloppen, te schrobben, te boenen en te dweilen dat het een lieve lust was. En tegen het einde van de middag, toen de zon al laag aan de hemel stond, waren ze klaar en hadden ze het huisje van Eendje Kwak van boven tot onder schoongemaakt. Je kon nu in het kleine huisje van Eendje Kwak bij wijze van spreken wel van de vloer eten. "Ziezo, dat is klaar," zeiden ze tegen Eendje Kwak. "Je hele huisje is weer schoon."

"Dank jullie wel," zei Eendje Kwak. En toen gingen ze allemaal weer weg.

Maar Eendje Kwak was helemaal niet gelukkig dat z'n hele huisje weer helemaal schoon was. Hij vond het helemaal niet prettig. Gelukkig had Eendje Kwak op school een juffrouw gehad die een heks was. Maar het was een goede heks die hem een beetje toveren had geleerd. Daarom ging Eendje Kwak naar zijn kleine keukentje en kakte daar uit zijn kont een grote drol van stront en deed die drol in een aluminium steelpannetje. Nu vulde hij het pannetje met water, zodat de drol erin ronddreef, zette het pannetje op het vuur en sprak er een toverspreuk over uit. Nauwelijks waren de woorden van zijn toverspreuk verklonken of het begon in het pannetje te koken en te schuimen en te bruisen en te borrelen dat het een aard had.

De uitgekakte drol uit Eendje Kwak zijn reet, daar moest wel zege in zitten! Want die kak die kookte steeds maar hoger en hoger. Over de rand van het pannetje, over de aanrecht, over de vloer van de keuken, over de drempel heen de gang in, alle kamers door, hoger en hoger, tot het uit alle ramen van Eendje Kwak zijn huisje naar buiten kookte. Over de straat en van de ene straat van het kleine stadje in de andere.

Het duurde niet lang of alle mensen kwamen zo snel hun voeten hun dragen konden naar Eendje Kwak z'n huisje gelopen en bonsde op de deur en riepen: "Eendje Kwak, laat je vieze potje toch ophouden met koken!"

Maar Eendje Kwak deed niet open en trok zich van al het rumoer niets aan. Nu was hij pas gelukkig. Hij ging middenin de gang helemaal languit in zijn eigen borrelende en bruisende kak liggen. En viel al spoedig tevreden in slaap.

En als niemand de vlam onder het pannetje heeft uitgedaan, dan kookt het nu nog.


* * * EINDE * * *